|
Hoe moet de mens handelen om zaken geregeld te krijgen bij luie & criminele politici?
Vergelijk Nederland met Zimbabwe
= NL is een land in verval.
Autoritaire
politici & adviseurs van politici breken de rechtstaat &
economie af...voor meer criminele zelf-Liefde, geld, sadisme &
mensenhaat.
- Stop met naïef, lui & lief zijn
- Stop met vriendjespolitiek & manipulaties
- Stop met 'mondeling zaken regelen'
- Stop met tijdrekken & corruptie plannen/uitvoeren
- Stop met cliché-gesprekken
- Stop met smoezen bedenken voor 'niet juridisch correct handelen'
- Stop met denken 'dat de overheid er voor de mens is'
- Stop met je persoonlijke zelf-medelijden & narcisme
- Word juridisch juist & zakelijk
- Ga er vanuit dat een politieke partij een bedrijf is
- Ga er vanuit dat politici ook individuen zijn met wettelijke verplichtingen
- Ga er vanuit dat burgers & politici dezelfde wettelijke verplichtingen hebben
- Ga er vanuit dat elke media-maker óók deze zelfde wettelijke verplichtingen heeft
- Bouw je dossier alsof je je moet beschermen tegen de Advocaat van de Duivel
Psychologische zelf-verdediging tegen de Advocaat van de Duivel.
NL is een land waar mensen doen alsof zij beschaafd zijn = niet juridisch handelen moet 'vertrouwen' suggereren...
Dit is een Kwaad-willend startpunt!
Het NL-volk is superachterlijk.
Mensen met macht werken stiekem wel met juridisch constrcties maar liegen hierover tegen het luie volk.
Zij gebruiken de wet tegen het luie volk...
Luie mensen willen dit niet geloven!
Het luie naïeve volk 'gelooft dat machthebbers leuk &
gezellig zijn in de omgang..zolang je het machtspel meespeelt'. Fout!
Het luie naïeve volk 'denkt dat zij d.m.v. van vriendjespolitiek & tijdrekken hun zaken geregeld krijgen'. Fout!
NL-ers verschuilen zich achter 'de waan van de welvaartstaat'. De rechtstaat bestaat al niet meer!
De jongere generaties moeten hun persoonlijke ontwikkeling offeren aan het instand houden van de wanen van de oudere generaties.
Dit loopt verkeerd af!
Oplossingen
- rechtenonderwijs op elke school
- psychologie-onderwijs op elke school
- Denk zoals psycho-therapeuten doen.
- Ga er altijd vanuit dat je Kwaad moet omzetten in Goed.
- Ga er vanuit dat je Kwaad niet altijd hoeft uit te spreken; begin moet de Goede juridische oplossing die je nodig hebt.
- Verwoord Kwaad als de politicius Kwaadwillend is en geen oplossingen wil ontiwkkelen & genereren.
- Pak de nationale wetten & verdragen erbij om te bewijzen dat Kwaad ook echt Kwaad is....
- Pak de nationale wetten & verdragen erbij om te
bewijzen dat je recht hebt op Goed, omdat dit een oplossing is voor je
probleem.
- Bouw je dossier schriftelijk op volgens bovenstaande structuur.
- Eerst Recht, dan Psychologie!
Kwaadaardige politici in NL
- Zij weigeren te erkennen dat zij persoonlijk met wetten & verdragen in hun beleid moeten realiseren.
- Zij weigeren zich te verdiepen in het recht-systeem, advocatuur, rechtzaken, rechtenloosheid van burgers.
- Zij
doen alsof het recht-systeem een zelfstandig onafhankelijk van de
politiek functionerend systeem is, maar in werkelijkheid bepalen
politici wat officieren van Justitie, Rechters moet denken &
doen...met wetten & verdragen.
- Corruptie = dossiers van rechtenloze burgers negeren = genocide per bureaucratie
- Zij weten 'dat de media het amusant vinden om burgers te laten folteren door politici'. Hiervan maken politici & media-makers misbruik...
- Ook vinden politici het amusant om te zien 'dat burgers zo superachterlijk zijn dat zij stemmen op criminele politici'.
- Elk
nieuw lid van een politiek partij moet een cursus volgen. Tijdens deze
cursus leer je 'je aan ta passen aan de partij'. Je bent als burger dus
alleen welkom...zolang je je crimineel gedraagt.
- Ik
ben bij SP & Groen Links de partij uitgetreiterd... Omdat ik
juridisch correct wil werken...Omdat ik niet gefolterd &
vermoord wil worden dmv Genocide per Bureaucratie.
Alle Politici kopiëren elkaars gedrag, wereldwijd.
Er is niet 1 President of Politicus die het criminele gedrag van andere Politici stopt.
Er is niet 1 Politicus op Aarde die wel de mensenrechtenverdragen invoert tijdens alle besluiten.
Er is niet 1 Politicus die het criminele gedrag van EU - & VN- medewerkers stopt.
Volgens het Folter-verdrag
heeft
elke Politicus
de wettelijke plicht
om het criminele gedrag
van een andere Politicus
te stoppen.
Ook binnen de EU, VN, NATO...
Burgers
weigeren persoonlijk
het Folterverdrag toe te passen;
Politici
worden dus niet
gedwongen
juridisch correct te werken.
Conclusie:
- Burgers laten zichzelf vrijwillig emotioneel door politici kapot maken.
- Burgers laten zichzelf vrijwillig financieel uitbuiten, werkloos maken, bespotten door politici...of andere machthebbers.
- Er is criminaliteit, terrorisme, oorlog omdat zowel burgers als politici dit willen.
- Beiden zijn te lui om persoonlijk wettelijke verplichtingen uit te voeren.
- Beiden zijn dus 'een slecht rol-model .... voor niet-opgeleide mensen' .
- In
NL ben je een 'leuk geaccepteerd mens' als je op deze
criminele wijze wilt leven... Wil je dit niet, word je gefolterd &
gedood. Ook door het Recht-systeem!
Folterverdrag is gemakkelijk te lezen, toe te passen en te aanvaarden!
Scheidt Politici van elkaar
met gesprekken & brieven over
hun individuele wettelijke verplichtingen
verankerd in dit verdrag!
Verdrag
tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende
behandeling of bestraffing
De
Staten die Partij zijn bij dit Verdrag,
Overwegend
dat, overeenkomstig de in het Handvest van de Verenigde Naties
verkondigde beginselen, de erkenning van de gelijke en
onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap
grondslag is voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld,
Erkennend
dat deze rechten voortvloeien uit de inherente waardigheid van de
mens,
Overwegend
dat krachtens het Handvest, inzonderheid artikel 55 daarvan, de
Staten verplicht zijn de universele eerbied voor en de inachtneming
van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te
bevorderen,
Gelet
op artikel 5 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens
en op artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten
en politieke rechten, welke beide artikelen bepalen dat niemand mag
worden onderworpen aan foltering, noch aan wrede, onmenselijke of
onterende behandeling of bestraffing,
Voorts
gelet op de Verklaring inzake de bescherming van alle mensen tegen
onderwerping aan foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende
behandeling of bestraffing, door de Algemene Vergadering aanvaard op
9 december 1975,
Geleid
door de wens de bestrijding van foltering en andere wrede,
onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing in de gehele
wereld doeltreffender te doen zijn,
Zijn
overeengekomen als volgt:
DEEL
I
Artikel
1
1. Voor de
toepassing van dit Verdrag wordt onder foltering"
verstaan iedere handeling waardoor opzettelijk hevige pijn of hevig
leed, lichamelijk dan wel geestelijk, wordt toegebracht aan een
persoon met zulke oogmerken als om van hem of van een derde
inlichtingen of een bekentenis te verkrijgen, hem te bestraffen voor
een handeling die hij of een derde heeft begaan of waarvan hij of een
derde wordt verdacht deze te hebben begaan, of hem of een derde te
intimideren of ergens toe te dwingen dan wel om enigerlei reden
gebaseerd op discriminatie van welke aard ook, wanneer zulke pijn of
zulk leed wordt toegebracht door of op aanstichten van dan wel met de
instemming of gedogen van een overheidsfunctionaris of andere persoon
die in een officiële hoedanigheid handelt. Foltering omvat niet pijn
of leed slechts voortvloeiend uit, inherent aan of samenhangend met
wettige straffen.
2. Dit artikel
laat onverlet internationale akten of nationale wetgevingen die
bepalingen met een ruimere werkingssfeer omvatten of kunnen omvatten.
Artikel
2
1. Iedere Staat
die Partij is bij dit Verdrag, neemt doeltreffende wetgevende,
bestuurlijke, gerechtelijke of andere maatregelen ter voorkoming van
foltering binnen elk onder zijn rechtsmacht vallend gebied.
2. Geen enkele
uitzonderlijke omstandigheid, ongeacht of het gaat om een
oorlogstoestand, een oorlogsdreiging, binnenlandse politieke onrust
of welke andere openbare noodsituatie ook, kan worden aangevoerd als
rechtvaardiging voor foltering.
3. Een bevel van
een hoger geplaatste functionaris of een overheidsinstantie mag niet
worden aangevoerd als rechtvaardiging voor foltering.
Artikel
3
1. Geen enkele
Staat die partij is bij dit Verdrag, mag een persoon uitzetten of
terugzenden („refouler") naar of uitleveren aan een andere
Staat wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat hij daar
gevaar zou lopen te worden onderworpen aan foltering.
2. Bij het
vaststellen of zodanige redenen aanwezig zijn, dienen de bevoegde
autoriteiten rekening te houden met alle van belang zijnde
overwegingen waaronder, waar van toepassing, het bestaan in de
betrokken Staat van een samenhangend patroon van grove, flagrante of
massale schendingen van mensenrechten.
Artikel
4
1. Iedere Staat
die Partij is, draagt er voor zorg dat alle vormen van foltering
strafbaar zijn krachtens zijn strafrecht. Hetzelfde geldt voor poging
tot foltering en voor handelingen van personen die medeplichtigheid
of deelneming aan foltering opleveren.
2. Iedere Staat
die Partij is, stelt deze delicten strafbaar met passende straffen,
waarbij rekening wordt gehouden met de ernstige aard ervan.
Artikel
5
1. Iedere Staat
die Partij is, neemt de eventueel noodzakelijke maatregelen tot
vestiging van zijn rechtsmacht ten aanzien van de in artikel 4
bedoelde delicten, en wel in de volgende gevallen:
(a) wanneer de delicten
worden gepleegd binnen een grondgebied onder zijn rechtsmacht of aan
boord van een schip of luchtvaartuig dat in die Staat is
geregistreerd;
(b) wanneer de verdachte
onderdaan van die Staat is;
(c) wanneer het
slachtoffer onderdaan van die Staat is, indien die Staat zulks
passend acht.
2. Iedere Staat
die Partij is, neemt tevens de eventueel noodzakelijke maatregelen
tot vestiging van zijn rechtsmacht ten aanzien van zodanige delicten
in de gevallen waarin de verdachte zich bevindt binnen een onder zijn
rechtsmacht vallend grondgebied en deze Staat hem niet ingevolge
artikel 8 uitlevert aan een van de in het eerste lid van dit artikel
genoemde Staten.
3. Dit Verdrag
sluit geen enkele strafrechtelijke rechtsmacht uit die wordt
uitgeoefend overeenkomstig het nationale recht.
Artikel
6
1. Iedere Staat
die Partij is, binnen wiens grondgebied zich een persoon bevindt die
ervan wordt verdacht een in artikel 4 bedoeld delict te hebben
gepleegd, neemt deze in hechtenis of treft andere wettelijke
maatregelen ten einde zijn aanwezigheid te waarborgen, nadat deze
Staat zich ervan heeft overtuigd, na een onderzoek van de deze ter
beschikking staande gegevens, dat de omstandigheden zulks
rechtvaardigen. De hechtenis en andere wettelijke maatregelen dienen
overeen te stemmen met het bepaalde in de wetgeving van die Staat,
doch mogen slechts zolang worden voortgezet als nodig is om een
strafvervolging of uitleveringsprocedure in te stellen.
2. Een zodanige
Staat stelt onmiddellijk een voorlopig onderzoek naar de feiten in.
3. Aan ieder die
zich ingevolge het eerste lid van dit artikel in hechtenis bevindt,
dient hulp te worden geboden om zich onmiddellijk in verbinding te
stellen met de dichtstbijzijnde bevoegde vertegenwoordiger van de
Staat waarvan hij onderdaan is, of, indien hij staatloos is, met de
vertegenwoordiger van de Staat waar hij gewoonlijk verblijft.
4. Wanneer een
Staat, ingevolge dit artikel, een persoon in hechtenis heeft genomen,
dient hij onmiddellijk de in artikel 5, eerste lid, bedoelde Staten
in kennis te stellen van het feit dat deze persoon zich in hechtenis
bevindt en van de omstandigheden die zijn gevangenhouding
rechtvaardigen. De Staat die het in het tweede lid van dit artikel
bedoelde voorlopige onderzoek verricht, brengt onverwijld verslag uit
van zijn bevindingen aan de genoemde Staten en deelt mede, of hij
voornemens is, zijn rechtsmacht uit te oefenen.
Artikel
7
1. De Staat die
Partij is, binnen het grondgebied onder wiens rechtsmacht een
verdachte van het plegen van een delict zoals bedoeld in artikel 4,
wordt aangetroffen, draagt in de gevallen bedoeld in artikel 5,
indien hij de betrokkene niet uitlevert, de zaak voor vervolging over
aan zijn bevoegde autoriteiten.
2. Deze
autoriteiten nemen hun beslissing op dezelfde wijze als in het geval
van een gewoon delict van ernstige aard krachtens de wetgeving van
die Staat. In de gevallen bedoeld in artikel 5, tweede lid, dienen de
maatstaven voor de bewijsvoering, vereist voor vervolging en
veroordeling, in geen enkel opzicht minder strikt te worden aangelegd
dan die welke gelden in de gevallen bedoeld in artikel 5, eerste lid.
3. Aan ieder tegen
wie een vervolging wordt aanhangig gemaakt in verband met een van de
in artikel 4 bedoelde delicten dient in alle fasen van de procedure
een billijke behandeling te worden gewaarborgd.
Artikel
8
1. De in artikel 4
bedoelde delicten worden in alle tussen Staten die Partij zijn
bestaande uitleveringsverdragen geacht te zijn opgenomen als delicten
waarvoor uitlevering kan worden toegestaan. De Staten die Partij
zijn, verbinden zich ertoe, in alle tussen hen te sluiten
uitleveringsverdragen zodanige delicten op te nemen als delicten
waarvoor uitlevering kan worden toegestaan.
2. Indien een
Staat die Partij is, uitlevering afhankelijk stelt van het bestaan
van een verdrag en een verzoek om uitlevering ontvangt van een andere
Staat die Partij is, waarmede hij geen uitleveringsverdrag heeft, kan
hij dit Verdrag als juridische grondslag beschouwen voor uitlevering
met betrekking tot zodanige delicten. Uitlevering is onderworpen aan
bij de wetgeving van de aangezochte Staat bepaalde andere
voorwaarden.
3. De Staten die
Partij zijn en uitlevering niet afhankelijk stellen van het bestaan
van een verdrag, erkennen tussen henzelf zodanige delicten als
delicten waarvoor uitlevering kan worden toegestaan, behoudens de bij
de wetgeving van de aangezochte Staat bepaalde voorwaarden.
4. Zodanige
delicten worden, ten behoeve van uitlevering tussen Staten die Partij
zijn, behandeld alsof zij niet alleen gepleegd waren op de plaats
waar zij zich hebben voorgedaan, doch ook op het grondgebied van de
Staten die hun rechtsmacht dienen te vestigen overeenkomstig artikel
5, eerste lid.
Artikel
9
1. De Staten die
Partij zijn, verlenen elkander de grootst mogelijke mate van
rechtshulp in verband met vervolgingen ingesteld terzake van een van
de in artikel 4 bedoelde delicten, met inbegrip van het verstrekken
van alle te hunner beschikking staand bewijsmateriaal dat voor de
vervolging nodig is.
2. De Staten die
Partij zijn, kwijten zich van hun verplichtingen ingevolge het eerste
lid van dit artikel in overeenstemming met eventueel tussen hen
bestaande verdragen inzake wederzijdse rechtshulp.
Artikel
10
1. Iedere Staat
die Partij is, draagt ervoor zorg dat onderricht en voorlichting
betreffende het verbod van foltering volledig opgenomen worden in de
opleiding van met de wetshandhaving belast burgerpersoneel en
militair personeel, van medisch personeel, van
overheidsfunctionarissen en van anderen die betrokken kunnen zijn bij
de bewaking, ondervraging of behandeling van een persoon die enige
vorm van arrestatie, hechtenis of gevangenhouding ondergaat.
2. Iedere Staat
die Partij is, neemt dit verbod op in de voorschriften of instructies
betreffende de taken en functies van zodanige personen.
Artikel
11
Iedere
Staat die Partij is, beziet stelselmatig de voorschriften,
instructies, methoden en praktijken voor ondervraging, alsook de
regelingen voor de bewaking en behandeling van personen onderworpen
aan enige vorm van arrestatie, hechtenis of gevangenhouding in
gebieden onder zijn rechtsmacht, met het oog op de voorkoming van
gevallen van foltering.
Artikel
12
Iedere
Staat die Partij is, draagt ervoor zorg dat zijn bevoegde
autoriteiten een onverwijld en onpartijdig onderzoek instellen,
wanneer er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat in enig gebied
onder zijn rechtsmacht foltering heeft plaatsgehad.
Artikel
13
Iedere
Staat die Partij is, draagt ervoor zorg dat een persoon die stelt dat
hij aan foltering is onderworpen in enig gebied onder de rechtsmacht
van deze Staat, het recht heeft tot indiening van een klacht bij de
bevoegde autoriteiten van deze Staat en er recht op heeft dat zijn
zaak onverwijld en onpartijdig door die autoriteiten wordt
onderzocht. Er dienen maatregelen te worden genomen ten einde te
verzekeren dat de klager en eventuele getuigen beschermd worden tegen
iedere vorm van kwaadwillige behandeling of intimidatie ten gevolge
van diens klacht of van afgelegde getuigenverklaringen.
Artikel
14
1. Iedere Staat
die Partij is, waarborgt in zijn rechtsstelsel dat het slachtoffer
van foltering genoegdoening krijgt en een rechtens afdwingbaar recht
heeft op een billijke en toereikende schadevergoeding, met inbegrip
van de middelen voor een zo volledig mogelijk herstel. Ingeval van
overlijden van het slachtoffer ten gevolge van foltering hebben zijn
nabestaanden aanspraak op schadevergoeding.
2. Niets in dit
artikel doet afbreuk aan de rechten van het slachtoffer of van
anderen op schadevergoeding die krachtens het nationale recht kunnen
bestaan.
Artikel
15
Iedere
Staat die Partij is, draagt ervoor zorg dat een verklaring waarvan
wordt vastgesteld dat deze is afgelegd ten gevolge van foltering,
niet wordt aangevoerd als bewijs in een rechtszaak, behalve tegen een
van foltering beschuldigde persoon als bewijs dat de verklaring werd
afgelegd.
Artikel
16
1. Iedere Staat
die Partij is, verbindt zich ertoe in alle gebieden onder zijn
rechtsmacht andere vormen van wrede, onmenselijke of onterende
behandeling of bestraffing, die geen foltering inhouden zoals
omschreven in artikel 1, te voorkomen, wanneer zulke handelingen
worden gepleegd door of op aanstichten van dan wel met instemming of
gedogen van een overheidsfunctionaris of andere persoon die in een
officiële hoedanigheid handelt. Inzonderheid zijn de verplichtingen
vervat in de artikelen 10, 11, 12 en 13 van toepassing, met
vervanging van de verwijzingen naar foltering door verwijzingen naar
andere vormen van wrede, onmenselijke of onterende behandeling of
bestraffing.
2. De bepalingen
van dit Verdrag laten onverlet de bepalingen van andere
internationale verdragen of van nationale wetten, waarin wrede,
onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing zijn verboden,
of die betrekking hebben op uitlevering of uitzetting.
DEEL
II
Artikel
17
1. Er wordt een
Comité tegen Foltering (hierna te noemen „het Comité")
ingesteld, dat de hierna te noemen functies uitoefent. Het Comité
bestaat uit tien deskundigen, die hoog zedelijk aanzien genieten en
erkende bekwaamheid op het gebied van de rechten van de mens
bezitten, en die optreden in hun persoonlijke hoedanigheid. De
deskundigen worden gekozen door Staten die Partij zijn, waarbij
aandacht wordt geschonken aan een billijke geografische verdeling en
waarbij dient te worden overwogen dat het lidmaatschap van enige
personen die ervaring hebben op juridisch gebied raadzaam is.
2. De leden van
het Comité worden bij geheime stemming gekozen uit een lijst van
personen die zijn voorgedragen door de Staten die Partij zijn. Iedere
Staat die Partij is, kan één persoon uit zijn onderdanen
voordragen. De Staten die Partij zijn, dienen zich ervan bewust te
zijn dat het raadzaam is personen voor te dragen die tevens lid zijn
van het Comité voor de Rechten van de Mens, ingesteld krachtens het
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en
die bereid zijn zitting te nemen in het Comité tegen Foltering.
3. De verkiezingen
van de leden van het Comité worden gehouden op door de
Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties te beleggen
tweejaarlijkse vergaderingen van de Staten die Partij zijn. Op deze
vergaderingen, waarvoor twee derde van de Staten die Partij zijn, het
quorum vormen, zijn degenen die in het Comité zijn gekozen die
personen die het grootste aantal stemmen op zich hebben verenigd,
alsmede een absolute meerderheid van de stemmen van de aanwezige
vertegenwoordigers van de Staten die Partij zijn en hun stem
uitbrengen.
4. De eerste
verkiezing wordt niet later gehouden dan zes maanden na de datum van
inwerkingtreding van dit Verdrag. Ten minste vier maanden vóór de
datum van elke verkiezing richt de Secretaris-Generaal van de
Verenigde Naties een brief aan de Staten die Partij zijn, waarin hij
deze uitnodigt, binnen drie maanden hun voordrachten in te zenden. De
Secretaris-Generaal stelt een alfabetische lijst samen van alle aldus
voorgedragen personen, onder aanduiding van de Staten die Partij zijn
en die hen hebben voorgedragen, en legt deze voor aan de Staten die
partij zijn.
5. De leden van
het Comité worden gekozen voor een tijdvak van vier jaar. Zij zijn
herkiesbaar indien zij opnieuw worden voorgedragen. De ambtstermijn
van vijf der bij de eerste verkiezing benoemde leden loopt evenwel na
twee jaar af; terstond na de eerste verkiezing worden deze vijf leden
bij loting aangewezen door de voorzitter van de in het derde lid van
dit artikel bedoelde vergadering.
6. Indien een lid
van het Comité overlijdt of ontslag neemt of om enige andere reden
zijn taken in het Comité niet langer kan vervullen, benoemt de Staat
die partij is en die hem had voorgedragen, een andere deskundige uit
zijn onderdanen voor het resterende gedeelte van de ambtstermijn,
zulks onder voorbehoud van de goedkeuring van de meerderheid der
Staten die Partij zijn. Deze goedkeuring wordt geacht gegeven te
zijn, tenzij de helft of meer van de Staten die Partij zijn, binnen
zes weken nadat zij door de Secretaris-Generaal van de Verenigde
Naties van de voorgestelde benoeming in kennis zijn gesteld,
afwijzend reageren.
7. De Staten die
Partij zijn, dragen de kosten van de leden van het Comité wanneer
dezen hun taak in het Comité vervullen.
Artikel
18
1. Het Comité
kiest zijn functionarissen voor een ambtstermijn van twee jaar. Zij
zijn herkiesbaar.
2. Het Comité
stelt zijn eigen huishoudelijke reglement vast, waarin onder meer
wordt bepaald dat:
(a) zes leden het quorum
vormen;
(b) besluiten van het
Comité worden genomen met een meerderheid van het aantal door de
aanwezige leden uitgebrachte stemmen.
3. De
Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties zorgt voor het personeel
en de andere voorzieningen benodigd voor een doelmatige uitoefening
van de taken van het Comité krachtens dit Verdrag.
4. De
Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties belegt de eerste
vergadering van het Comité. Na zijn eerste vergadering komt het
Comité bijeen op de tijden voorzien in zijn huishoudelijk reglement.
5. De Staten die
Partij zijn, dragen de kosten gemaakt in verband met het houden van
de vergaderingen van de Staten die Partij zijn, en van het Comité,
met inbegrip van vergoeding aan de Verenigde Naties van alle kosten,
zoals de kosten van personeel en voorzieningen, die de Verenigde
Naties ingevolge het derde lid van dit artikel hebben gemaakt.
Artikel
19
1. De Staten die
Partij zijn, leggen, binnen één jaar na de inwerkingtreding van dit
Verdrag voor de betrokken Staat die Partij is, door bemiddeling van
de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, aan het Comité
rapporten voor over de maatregelen die zij hebben genomen om
uitvoering te geven aan hun verplichtingen krachtens dit Verdrag.
Daarna leggen de Staten die Partij zijn, om de vier jaar aanvullende
rapporten over inzake genomen nieuwe maatregelen, alsmede de andere
rapporten waarom het Comité kan verzoeken.
2. De
Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties zendt de rapporten toe
aan alle Staten die Partij zijn.
3. Elk rapport
wordt bestudeerd door het Comité, dat daarop algemeen commentaar kan
leveren dat het passend acht; het zendt dit commentaar toe aan de
betrokken Staat die Partij is. De Staat die Partij is, kan daarop bij
het Comité reageren met zijn eigen opmerkingen.
4. Het Comité kan
naar eigen inzicht besluiten om overeenkomstig het derde lid van dit
artikel geleverd commentaar, te zamen met de opmerkingen daarover die
zijn ontvangen van de betrokken Staat die Partij is, op te nemen in
zijn jaarverslag opgesteld overeenkomstig artikel 24. Indien de
betrokken Staat die Partij is, zulks verzoekt, kan het Comité tevens
een afschrift van het ingevolge het eerste lid van dit artikel
overgelegde rapport daarin opnemen.
Artikel
20
1. Indien het
Comité betrouwbare informatie ontvangt, die zijns inziens goed
gefundeerde aanwijzingen bevat dat in het gebied van een Staat die
Partij is, stelselmatig foltering wordt toegepast, verzoekt het
Comité de Staat die Partij is, mede te werken bij de bestudering van
deze informatie en hiertoe opmerkingen in te zenden betreffende de
betrokken informatie.
2. Met
inachtneming van eventuele opmerkingen die door de betrokken Staat
die Partij is, zijn ingezonden, alsmede van alle andere van belang
zijnde informatie waarover het beschikt, kan het Comité indien het
besluit dat dit verantwoord is, een of meer van zijn leden aanwijzen
om een vertrouwelijk onderzoek in te stellen en ten spoedigste
verslag hierover uit te brengen aan het Comité.
3. Indien
overeenkomstig het tweede lid van dit artikel een onderzoek wordt
ingesteld, poogt het Comité de medewerking te verwerven van de
betrokken Staat die Partij is. In overeenstemming met die Staat die
Partij is, kan een zodanig onderzoek een bezoek aan zijn grondgebied
omvatten.
4. Na bestudering
van de bevindingen van zijn lid of leden, overgelegd overeenkomstig
het tweede lid van dit artikel, zendt het Comité deze bevindingen
toe aan de betrokken Staat die Partij is, te zamen met de commentaren
of voorstellen die in het licht van de situatie passend lijken.
5. Alle
werkzaamheden van het Comité bedoeld in het eerste tot en met het
vierde lid van dit artikel zijn vertrouwelijk van aard en in alle
stadia van de werkzaamheden zal worden gestreefd naar de medewerking
van de Staat die Partij is. Nadat deze werkzaamheden met betrekking
tot een overeenkomstig het tweede lid ingesteld onderzoek zijn
voltooid, kan het Comité, na overleg met de betrokken Staat die
Partij is, besluiten een beknopt verslag van de resultaten van de
werkzaamheden op te nemen in zijn jaarverslag opgesteld
overeenkomstig artikel 24.
Artikel
21
1. Een Staat die
Partij is bij dit Verdrag, kan krachtens dit artikel te allen tijde
verklaren, dat hij de bevoegdheid van het Comité erkent
kennisgevingen waarin een Staat die Partij is, stelt dat een andere
Staat die Partij is, diens uit dit Verdrag voortvloeiende
verplichtingen niet nakomt, in ontvangst te nemen en te behandelen.
Zulke kennisgevingen kunnen alleen in ontvangst worden genomen en
worden behandeld overeenkomstig de in dit artikel vervatte procedure,
indien zij zijn ingezonden door een Staat die Partij is, en die een
verklaring heeft afgelegd dat hij ten aanzien van zichzelf deze
bevoegdheid van het Comité erkent.
Een kennisgeving wordt
niet krachtens dit artikel door het Comité behandeld, indien deze
betrekking heeft op een Staat die Partij is en die zulk een
verklaring niet heeft afgelegd. Kennisgevingen die krachtens het
bepaalde in dit artikel worden ontvangen, worden overeenkomstig de
volgende procedure behandeld:
(a) Indien een Staat die
Partij is, van oordeel is dat een andere Staat die Partij is, de
bepalingen van dit Verdrag niet uitvoert, kan hij door middel van een
schriftelijke kennisgeving de zaak onder de aandacht brengen van die
Staat die Partij is. Binnen drie maanden na ontvangst van de
kennisgeving stuurt de ontvangende Staat de Staat die de kennisgeving
had gezonden een schriftelijke uiteenzetting of een andere
schriftelijke verklaring, waarin de zaak wordt opgehelderd en waarin,
voor zover mogelijk en ter zake doende, wordt verwezen naar
procedures en rechtsmiddelen die in het land zelf reeds zijn
toegepast, nog hangende zijn of die zouden kunnen worden aangewend;
(b) Indien de zaak niet
tot genoegen van de beide betrokken Staten die Partij zijn, wordt
geregeld binnen zes maanden na ontvangst van de eerste kennisgeving
door de ontvangende Staat, heeft elk der beide Staten het recht de
zaak bij het Comité aanhangig te maken, door middel van een
kennisgeving die zowel aan het Comité als aan de andere Staat wordt
gezonden;
(c) Het Comité behandelt
een bij hem ingevolge dit artikel aanhangig gemaakte zaak alleen
nadat het zich ervan heeft overtuigd dat alle binnenlandse
rechtsmiddelen in de betrokken zaak zijn benut en uitgeput, in
overeenstemming met de algemeen erkende beginselen van het
internationale recht. Deze regel geldt evenwel niet indien de
toepassing der rechtsmiddelen onredelijk lange tijd vergt of
waarschijnlijk geen daadwerkelijke verbetering zal meebrengen voor de
persoon die het slachtoffer van de schending van dit Verdrag is;
(d) Het Comité komt in
besloten zitting bijeen wanneer het kennisgevingen krachtens dit
artikel gedaan aan een onderzoek onderwerpt;
(e) Met inachtneming van
het bepaalde in letter (c) stelt het Comité zijn goede diensten ter
beschikking van de betrokken Staten die Partij zijn, ten einde de
zaak in der minne te regelen op basis van eerbiediging van de
verplichtingen als neergelegd in dit Verdrag. Hiertoe kan het Comité
eventueel een conciliatiecommissie ad hoc instellen;
(f) Bij elke bij hem
ingevolge dit artikel aanhangig gemaakte zaak kan het Comité tot de
betrokken in letter (b) bedoelde Staten die Partij zijn, het verzoek
richten, ter zake dienende inlichtingen te verstrekken;
(g) De in letter (b)
bedoelde betrokken Staten die Partij zijn, hebben het recht zich te
doen vertegenwoordigen wanneer de zaak in het Comité wordt
behandeld, en hun standpunt mondeling en/of schriftelijk kenbaar te
maken;
(h) Het Comité brengt
twaalf maanden na de datum van ontvangst van de krachtens letter (b)
gedane kennisgeving een rapport uit, als volgt:
(i) Indien een oplossing
als voorzien in letter (e) is bereikt, beperkt het Comité zijn
rapport tot een korte uiteenzetting van de feiten en van de bereikte
oplossing;
(ii) indien geen
oplossing als voorzien in letter (e) is bereikt, beperkt het Comité
zijn rapport tot een korte uiteenzetting van de feiten; de
schriftelijk kenbaar gemaakte standpunten en een op schrift gestelde
samenvatting van de mondeling naar voren gebrachte standpunten van de
betrokken Staten die Partij zijn, worden aan het rapport gehecht.
In elk van beide
gevallen wordt het rapport toegezonden aan de betrokken Staten die
Partij zijn.
2. De bepalingen
van dit artikel treden in werking wanneer vijf Staten die Partij zijn
bij dit Verdrag, verklaringen hebben afgelegd krachtens het eerste
lid van dit artikel. Deze verklaringen worden door de Staten die
Partij zijn, nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde
Naties, die afschriften daarvan doet toekomen aan de andere Staten
die Partij zijn. Een zodanige verklaring kan te allen tijde door
middel van een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving
worden ingetrokken. Een zodanige intrekking heeft geen invloed op de
behandeling van een zaak die het onderwerp vormt van een kennisgeving
die reeds is gedaan krachtens dit artikel; geen enkele volgende
kennisgeving door een Staat die Partij is, wordt in ontvangst genomen
krachtens dit artikel nadat de kennisgeving van intrekking van de
verklaring door de Secretaris-Generaal is ontvangen, tenzij de
betrokken Staat die Partij is, een nieuwe verklaring heeft afgelegd.
Artikel
22
1. Een Staat die
Partij is bij dit Verdrag, kan krachtens dit artikel te allen tijde
verklaren dat hij de bevoegdheid van het Comité erkent
kennisgevingen van of namens personen die onder zijn rechtsmacht
vallen en die stellen het slachtoffer te zijn van schending door een
Staat die Partij is, van de bepalingen van het Verdrag, in ontvangst
te nemen en te behandelen. Het Comité neemt geen kennisgeving in
ontvangst indien deze betrekking heeft op een Staat die Partij is bij
het Verdrag en die zulk een verklaring niet heeft afgelegd.
2. Het Comité
beschouwt als niet ontvankelijk elke krachtens dit artikel
toegezonden kennisgeving die anoniem is of welker inzending het
beschouwt als misbruik van het recht zodanige kennisgevingen in te
zenden of die het onverenigbaar acht met de bepalingen van dit
Verdrag.
3. Met
inachtneming van het bepaalde in het tweede lid brengt het Comité
alle hem krachtens dit artikel toegezonden kennisgevingen onder de
aandacht van de Staat die Partij is bij dit Verdrag en die een
verklaring krachtens het eerste lid heeft afgelegd en waaromtrent
wordt gesteld dat deze enige bepaling van het Verdrag schendt. Binnen
zes maanden doet de ontvangende Staat het Comité schriftelijke
toelichtingen of andere schriftelijke verklaringen toekomen, waarin
de zaak en de eventueel door die Staat toegepaste herstelmaatregelen
worden uiteengezet.
4. Het Comité
behandelt krachtens dit artikel ontvangen kennisgevingen in het licht
van alle hem door of namens de betrokken persoon en door de betrokken
Staat die Partij is, ter beschikking gestelde gegevens.
5. Het Comité
neemt geen krachtens dit artikel door een individuele persoon
ingediende kennisgeving in behandeling, dan nadat het zich ervan
heeft overtuigd dat:
(a) dezelfde zaak niet is
of wordt onderzocht volgens een andere procedure van internationaal
onderzoek of internationale regeling;
(b) de betrokken persoon
alle beschikbare nationale rechtsmiddelen heeft uitgeput; deze regel
geldt evenwel niet indien de toepassing der rechtsmiddelen onredelijk
lange tijd vergt of waarschijnlijk geen daadwerkelijk verbetering zal
brengen voor de persoon die het slachtoffer van de schending van dit
Verdrag is.
6. Het Comité
komt in besloten zitting bijeen wanneer het kennisgevingen krachtens
dit artikel gedaan aan een onderzoek onderwerpt.
7. Het Comité
maakt zijn oordeel bekend aan de desbetreffende Staat die Partij is,
en aan de betrokken persoon.
8. De bepalingen
van dit artikel treden in werking wanneer vijf Staten die Partij zijn
bij dit Verdrag, verklaringen hebben afgelegd krachtens het eerste
lid van dit artikel. Deze verklaringen worden door de Staten die
Partij zijn, nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde
Naties, die afschriften daarvan doet toekomen aan alle andere Staten
die Partij zijn. Een verklaring kan te allen tijde, door middel van
een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving, worden
ingetrokken. Een zodanige intrekking heeft geen invloed op de
behandeling van een zaak die het onderwerp vormt van een kennisgeving
die reeds is gedaan krachtens dit artikel; geen enkele volgende
kennisgeving door of namens een persoon wordt krachtens dit artikel
in ontvangst genomen nadat de kennisgeving van intrekking van de
verklaring door de Secretaris-Generaal is ontvangen, tenzij de
betrokken Staat die Partij is, een nieuwe verklaring heeft afgelegd.
Artikel
23
De
leden van het Comité en van de conciliatiecommissies ad hoc die
kunnen worden ingesteld krachtens het bepaalde in artikel 21, eerste
lid, letter (e), genieten de faciliteiten, voorrechten en
immuniteiten van deskundigen die zijn uitgezonden door de Verenigde
Naties, zoals die zijn vastgesteld in de desbetreffende delen van het
Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde
Naties.
Artikel
24
Het
Comité brengt een jaarverslag van zijn werkzaamheden krachtens het
Verdrag uit aan de Staten die Partij zijn, en aan de Algemene
Vergadering van de Verenigde Naties.
DEEL
III
Artikel
25
1. Dit Verdrag
staat open voor ondertekening door alle Staten.
2. Dit Verdrag
dient te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging dienen te
worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde
Naties.
Artikel
26
Dit
Verdrag staat open voor toetreding door alle Staten. Toetreding
geschiedt door de nederlegging van een akte van toetreding bij de
Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
Artikel
27
1. Dit Verdrag
treedt in werking op de dertigste dag na de datum van nederlegging
bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties van de twintigste
akte van bekrachtiging of toetreding.
2. Ten aanzien van
iedere Staat die dit Verdrag bekrachtigt of ertoe toetreedt na de
nederlegging van de twintigste akte van bekrachtiging of toetreding,
treedt het Verdrag in werking op de dertigste dag na de datum van
nederlegging van zijn eigen akte van bekrachtiging of toetreding.
Artikel
28
1. Iedere Staat
kan, op het tijdstip van ondertekening of van bekrachtiging van dit
Verdrag of van toetreding ertoe, verklaren dat hij de in artikel 20
geregelde bevoegdheid van het Comité niet erkent.
2. Iedere Staat
die Partij is en die een voorbehoud heeft gemaakt overeenkomstig het
eerste lid van dit artikel, kan dit voorbehoud te allen tijde
intrekken door middel van een kennisgeving aan de SecretarisGeneraal
van de Verenigde Naties.
Artikel
29
1. Iedere Staat
die Partij is bij dit Verdrag, kan een wijziging daarvan voorstellen
en deze indienen bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
De Secretaris-Generaal deelt vervolgens de voorgestelde wijziging aan
de Staten die Partij zijn, mede, met het verzoek hem te berichten of
zij een conferentie van Staten die Partij zijn, verlangen ten einde
het voorstel te bestuderen en in stemming te brengen. Indien, binnen
vier maanden na de datum van deze mededeling, ten minste een derde
van de Staten die Partij zijn, zulk een conferentie verlangt, roept
de Secretaris-Generaal deze conferentie onder auspiciën van de
Verenigde Naties bijeen. Iedere wijziging die door een meerderheid
van de ter conferentie aanwezige Staten die partij zijn en die hun
stem uitbrengen, wordt aangenomen, wordt door de Secretaris-Generaal
ter aanvaarding voorgelegd aan alle Staten die Partij zijn.
2. Een
overeenkomstig het eerste lid van dit artikel aangenomen wijziging
wordt van kracht wanneer twee derde van de Staten die Partij zijn bij
dit Verdrag, de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties ervan in
kennis hebben gesteld dat zij deze hebben aanvaard overeenkomstig hun
onderscheiden constitutionele procedures.
3. Wanneer
wijzigingen van kracht worden, zijn zij bindend voor de Staten die
Partij zijn en die deze hebben aanvaard, terwijl de andere Staten die
Partij zijn, gebonden zullen blijven door bepalingen van dit Verdrag
en door iedere voorgaande wijziging die zij hebben aanvaard.
Artikel
30
1. Geschillen
tussen twee of meer Staten die Partij zijn, betreffende de uitlegging
of toepassing van dit Verdrag, die niet door onderhandelingen kunnen
worden geregeld, worden op verzoek van één van hen onderworpen aan
arbitrage. Indien binnen zes maanden na de datum van het verzoek om
arbitrage de Partijen geen overeenstemming hebben kunnen bereiken
over de arbitrageregeling, kan elk der Partijen het geschil
voorleggen aan het Internationale Gerechtshof door middel van een
verzoek in overeenstemming met het Statuut van het Hof.
2. Iedere Staat
kan, op het tijdstip van ondertekening of bekrachtiging van dit
Verdrag of van toetreding daartoe, verklaren dat hij zich niet
gebonden acht door het eerste lid van dit artikel. De andere Staten
die Partij zijn, zijn met betrekking tot een Staat die Partij is en
die zulk een voorbehoud heeft gemaakt, niet gebonden door het eerste
lid van dit artikel.
3. Een Staat die
Partij is en die een voorbehoud heeft gemaakt overeenkomstig het
tweede lid van dit artikel, kan dit voorbehoud te allen tijde
intrekken door middel van een kennisgeving aan de SecretarisGeneraal
van de Verenigde Naties.
Artikel
31
1. Een Staat die
Partij is, kan dit Verdrag opzeggen door middel van een schriftelijke
kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. De
opzegging wordt van kracht één jaar na de datum van ontvangst van
de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
2. Een zodanige
opzegging leidt er niet toe dat de Staat die Partij is, wordt
ontslagen van zijn verplichtingen krachtens dit Verdrag ten aanzien
van enig handelen of nalaten dat zich heeft voorgedaan vóór de
datum waarop de opzegging van kracht wordt en evenmin is de opzegging
op enigerlei wijze van invloed op de voortzetting van de behandeling
van een zaak die reeds bij het Comité in behandeling is vóór de
datum waarop de opzegging van kracht wordt.
3. Na de datum
waarop de opzegging van een Staat die Partij is, van kracht wordt,
neemt het Comité geen nieuwe zaak betreffende die Staat in
behandeling.
Artikel
32
De
Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties doet alle Leden van de
Verenigde Naties en alle Staten die dit Verdrag hebben ondertekend of
ertoe zijn toegetreden, mededeling van het volgende:
(a) Ondertekeningen,
bekrachtigingen en toetredingen ingevolge de artikelen 25 en 26;
(b) De datum van
inwerkingtreding van dit Verdrag ingevolge artikel 27 en de datum van
het van kracht worden van wijzigingen ingevolge artikel 29;
(c) Opzeggingen ingevolge
artikel 31.
Artikel
33
1. Dit Verdrag,
waarvan de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische
en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd
bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
2. De
Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties zendt gewaarmerkte
afschriften van dit Verdrag toe aan alle Staten.
|
|
How must a human being handle in order te get things done by lazy & criminal politicians?
Compare Holland with Zimbabwe
= NL is in decline.
Authoritarian politicians & advisors of politicians demolish the
state of law & ecnonomy... for more criminal self-Love, money,
sadism & hatred for human kind.
- Stop with being naive, lazy & sweet
- Stop with favourism & manipulations
- Stop with 'gentlement agreements'
- Stop with playing for time & planning corruption
- Stop with stereotype-talks
- Stop with making excuses 'for not handling legally correct'
- Stop with your personal self-pitty & narcism
- Behave legally correct & business-like
- Address a political party as a business
- Address politicians as individuals with legal obligations
- Make clear that politicians & civilians have identical legal obligations
- Address each media-makers as a person with de same legal obigations as you have
- Build your file as if you must protect yourself against the Lawyer of the Devil
Psychological self-Defence against the Lawyer of the Devil.
NL is a country where people pretend to be civilized = not dealing in a legally correct way must suggest 'trust'... This is an Evil-minded startingpoint!
The NL-people are super-retarded.
Powerful persons do work with legal frames sneakily, but lie about this to the lazy people.
They use the law against the lazy people...
Lazy people don't want to believe this!
The naive lazy people 'believe that you must relate to powerful persons
in a lovely & cozy way..in order to get things done...'. Wrong!
NL-ers hide behind 'the illusion of our wellfare-state'.
This wellfare-state doesn't excist anymore!
The younger generation must sacrafice their personal evolution for the
maintenance of the illusive world of the older generations.
This will end disasterous!
Solutions
- Law-education on every school
- Psychology-education on every school
- Think like psycho-therapists do.
- Always assume that you must transfer Evil into Good.
- Consider that you not always have to give words to Evil; start with putting the Good legal solution you need into words.
- Put Evil into words when politicians want to be Evil and refuse to develop & generate a solution.
- Take national laws & treaties to prove that Evil is Evil...
- Take national laws & treaties to prove that you are entitled to Good, because this is the solution for your problem.
- Build your file in writing according to above mentioned framework.
- First Law, than Psychology!
Evil politicians in NL
- They refuse to acknowledge that they are legally obliged to make policies anchored in laws & treaties.
- They reufse to study the judicial-system, legal profession, lawsuits, the lawlees position of the people.
- They
claim that the Judicial-system is an independent - from politics -
functional system, but the reality is that politicians determine what
Prosecutors, Judges must think & do with laws &
treaties...
- Corruption = ignore files of civilians = genocide by bureacracy.
- They
know 'that the media think its amusing to have civilians tortured &
murdered by politicians. Politcians & media-makers gratefully
misuse this situation...
- Politicians also find it amusing to see 'that civilians are super-retared when they vote for criminal politicians'.
- Every
new member of a political party must follow courses. Duirng these
courses you leanr'to adopt yourself to the party'. You are only welcome
as a civilians ...as long as you behave criminal.
- I
have been tormented out of a party twice: SP & Groenlinks...Because
I want to work legally correct...Because I don't want to be tortured
& murdered with Genocide by Bureaucracy .
All politicians copy eachothers behavior, worldwid.
there is not 1 President or Politcian who does stop the criminal behavior of another politicians.
There is not 1 Politician on Earth who does implement humanright-treaties during all decisions.
There is not 1 Politician who stops the criminal behavior of EU- & UN-employees.
According the Torture-treaty
every Politcians
has the legal obligation
to stop
the criminal behavior
of another Politician.
Also within EU, UN, NATO...
Civilians
refuse personally
to conduct the Torture-treaty:
Politicians
are not forced
to work legally correct.
Conclusion:
- Civilians have themselves voluntarily emotional demolished by politicians.
- Civilians have themselves financially exploited, made jobless, made look ridiculous..by politicians or other powerful persons.
- There is crime, terrorism, war because both civilians & politicians want this.
- Both are too lazy to conduct personal lagel obligations.
- Thus, both are a 'bad role-model ...for non-educated people'.
- IN
Nl you are 'a nice accepted person'...as long as you want to live in a
criminal way... When you refuse you are being tortrued & murdered.
By the Judicial-system too!
Torture-treaty is easy to read, to conduct and to adopt!
Separate Politicians from eachother
with
talks & letters about
their individual legal obligations
anchored in this treaty!
Convention
against torture and other cruel, inhuman or degrading treatment or
punishment
The
States Parties to this Convention,
Considering
that, in accordance with the principles proclaimed in the Charter of
the United Nations, recognition of the equal and inalienable rights
of all members of the human family is the foundation of freedom,
justice and peace in the world,
Recognizing
that those rights derive from the inherent dignity of the human
person,
Considering
the obligation of States under the Charter, in particular article 55,
to promote universal respect for, and observance of, human rights and
fundamental freedoms,
Having
regard to article 5 of the Universal Declaration of Human Rights and
article 7 of the International Covenant on Civil and Political
Rights, both of which provide that no one shall be subjected to
torture or to cruel, inhuman or degrading treatment or punishment,
Having
regard also to the Declaration on the Protection of All Persons from
Being Subjected to Torture and Other Cruel, Inhuman or Degrading
Treatment or Punishment, adopted by the General Assembly on 9
December 1975,
Desiring
to make more effective the struggle against torture and other cruel,
inhuman or degrading treatment or punishment throughout the world,
Have
agreed as follows:
PART
I
Article
1
1. For the purpose
of this Convention, the term "torture" means any act by
which severe pain or suffering, whether physical or mental, is
intentionally inflicted on a person for such purposes as obtaining
from him or a third person information or a confession, punishing him
for an act he or a third person has committed or is suspected of
having committed, or intimidating or coercing him or a third person,
or for any reason based on discrimination of any kind, when such pain
or suffering is inflicted by or at the instigation of or with the
consent or acquiescence of a public official or other person acting
in an official capacity. It does not include pain or suffering
arising only from, inherent in or incidental to lawful sanctions.
2. This article is
without prejudice to any international instrument or national
legislation which does or may contain provisions of wider
application.
Article
2
1. Each State
Party shall take effective legislative, administrative, judicial or
other measures to prevent acts of torture in any territory under its
jurisdiction.
2. No exceptional
circumstances whatsoever, whether a state of war or a threat of war,
internal political instability or any other public emergency, may be
invoked as a justification of torture.
3. An order from a
superior officer or a public authority may not be invoked as a
justification of torture.
Article
3
1. No State Party
shall expel, return ("refouler") or extradite a person to
another State where there are substantial grounds for believing that
he would be in danger of being subjected to torture.
2. For the purpose
of determining whether there are such grounds, the competent
authorities shall take into account all relevant considerations
including, where applicable, the existence in the State concerned of
a consistent pattern of gross, flagrant or mass violations of human
rights.
Article
4
1. Each State
Party shall ensure that all acts of torture are offences under its
criminal law. The same shall apply to an attempt to commit torture
and to an act by any person which constitutes complicity or
participation in torture.
2. Each State
Party shall make these offences punishable by appropriate penalties
which take into account their grave nature.
Article
5
1. Each State
Party shall take such measures as may be necessary to establish its
jurisdiction over the offences referred to in article 4 in the
following cases:
(a) When the offences are
committed in any territory under its jurisdiction or on board a ship
or aircraft registered in that State;
(b) When the alleged
offender is a national of that State;
(c) When the victim is a
national of that State if that State considers it appropriate.
2. Each State
Party shall likewise take such measures as may be necessary to
establish its jurisdiction over such offences in cases where the
alleged offender is present in any territory under its jurisdiction
and it does not extradite him pursuant to article 8 to any of the
States mentioned in paragraph 1 of this article.
3. This Convention
does not exclude any criminal jurisdiction exercised in accordance
with internal law.
Article
6
1. Upon being
satisfied, after an examination of information available to it, that
the circumstances so warrant, any State Party in whose territory a
person alleged to have committed any offence referred to in article 4
is present shall take him into custody or take other legal measures
to ensure his presence. The custody and other legal measures shall be
as provided in the law of that State but may be continued only for
such time as is necessary to enable any criminal or extradition
proceedings to be instituted.
2. Such State
shall immediately make a preliminary inquiry into the facts.
3. Any person in
custody pursuant to paragraph 1 of this article shall be assisted in
communicating immediately with the nearest appropriate representative
of the State of which he is a national, or, if he is a stateless
person, with the representative of the State where he usually
resides.
4. When a State,
pursuant to this article, has taken a person into custody, it shall
immediately notify the States referred to in article 5, paragraph 1,
of the fact that such person is in custody and of the circumstances
which warrant his detention. The State which makes the preliminary
inquiry contemplated in paragraph 2 of this article shall promptly
report its findings to the said States and shall indicate whether it
intends to exercise jurisdiction.
Article
7
1. The State Party
in the territory under whose jurisdiction a person alleged to have
committed any offence referred to in article 4 is found shall in the
cases contemplated in article 5, if it does not extradite him, submit
the case to its competent authorities for the purpose of prosecution.
2. These
authorities shall take their decision in the same manner as in the
case of any ordinary offence of a serious nature under the law of
that State. In the cases referred to in article 5, paragraph 2, the
standards of evidence required for prosecution and conviction shall
in no way be less stringent than those which apply in the cases
referred to in article 5, paragraph I.
3. Any person
regarding whom proceedings are brought in connection with any of the
offences referred to in article 4 shall be guaranteed fair treatment
at all stages of the proceedings.
Article
8
1. The offences
referred to in article 4 shall be deemed to be included as
extraditable offences in any extradition treaty existing between
States Parties. States Parties undertake to include such offences as
extraditable offences in every extradition treaty to be concluded
between them.
2. If a State
Party which makes extradition conditional on the existence of a
treaty receives a request for extradition from another State Party
with which it has no extradition treaty, it may consider this
Convention as the legal basis for extradition in respect of such
offences. Extradition shall be subject to the other conditions
provided by the law of the requested State.
3. States Parties
which do not make extradition conditional on the existence of a
treaty shall recognize such offences as extraditable offences between
themselves subject to the conditions provided by the law of the
requested State.
4. Such offences
shall be treated, for the purpose of extradition between States
Parties, as if they had been committed not only in the place in which
they occurred but also in the territories of the States required to
establish their jurisdiction in accordance with article 5, paragraph
1.
Article
9
1. States Parties
shall afford one another the greatest measure of assistance in
connection with criminal proceedings brought in respect of any of the
offences referred to in article 4, including the supply of all
evidence at their disposal necessary for the proceedings.
2. States Parties
shall carry out their obligations under paragraph 1 of this article
in conformity with any treaties on mutual judicial assistance that
may exist between them.
Article
10
1. Each State
Party shall ensure that education and information regarding the
prohibition against torture are fully included in the training of law
enforcement personnel, civil or military, medical personnel, public
officials and other persons who may be involved in the custody,
interrogation or treatment of any individual subjected to any form of
arrest, detention or imprisonment.
2. Each State
Party shall include this prohibition in the rules or instructions
issued in regard to the duties and functions of any such persons.
Article
11
Each
State Party shall keep under systematic review interrogation rules,
instructions, methods and practices as well as arrangements for the
custody and treatment of persons subjected to any form of arrest,
detention or imprisonment in any territory under its jurisdiction,
with a view to preventing any cases of torture.
Article
12
Each
State Party shall ensure that its competent authorities proceed to a
prompt and impartial investigation, wherever there is reasonable
ground to believe that an act of torture has been committed in any
territory under its jurisdiction.
Article
13
Each
State Party shall ensure that any individual who alleges he has been
subjected to torture in any territory under its jurisdiction has the
right to complain to, and to have his case promptly and impartially
examined by, its competent authorities. Steps shall be taken to
ensure that the complainant and witnesses are protected against all
ill-treatment or intimidation as a consequence of his complaint or
any evidence given.
Article
14
1. Each State
Party shall ensure in its legal system that the victim of an act of
torture obtains redress and has an enforceable right to fair and
adequate compensation, including the means for as full rehabilitation
as possible. In the event of the death of the victim as a result of
an act of torture, his dependants shall be entitled to compensation.
2. Nothing in this
article shall affect any right of the victim or other persons to
compensation which may exist under national law.
Article
15
Each
State Party shall ensure that any statement which is established to
have been made as a result of torture shall not be invoked as
evidence in any proceedings, except against a person accused of
torture as evidence that the statement was made.
Article
16
1. Each State
Party shall undertake to prevent in any territory under its
jurisdiction other acts of cruel, inhuman or degrading treatment or
punishment which do not amount to torture as defined in article 1,
when such acts are committed by or at the instigation of or with the
consent or acquiescence of a public official or other person acting
in an official capacity. In particular, the obligations contained in
articles 10, 11, 12 and 13 shall apply with the substitution for
references to torture or references to other forms of cruel, inhuman
or degrading treatment or punishment.
2. The provisions
of this Convention are without prejudice to the provisions of any
other international instrument or national law which prohibits cruel,
inhuman or degrading treatment or punishment or which relates to
extradition or expulsion.
PART
II
Article
17
1. There shall be
established a Committee against Torture (hereinafter referred to as
the Committee) which shall carry out the functions hereinafter
provided. The Committee shall consist of ten experts of high moral
standing and recognized competence in the field of human rights, who
shall serve in their personal capacity. The experts . shall be
elected by the States Parties, consideration being given to equitable
geographical distribution and to the usefulness of the participation
of some persons having legal experience
2. The members of
the Committee shall be elected by secret ballot from a list of
persons nominated by States Parties. Each State Party may nominate
one person from among its own nationals. States Parties shall bear in
mind the usefulness of nominating persons who are also members of the
Human Rights Committee established under the International Covenant
on Civil and Political Rights and who are willing to serve on the
Committee against Torture.
3. Elections of
the members of the Committee shall be held at biennial meetings of
States Parties convened by the Secretary-General of the United
Nations. At those meetings, for which two thirds of the States
Parties shall constitute a quorum, the persons elected to the
Committee shall be those who obtain the largest number of votes and
an absolute majority of the votes of the representatives of States
Parties present and voting.
4. The initial
election shall be held no later than six months after the date of the
entry into force of this Convention. At least four months before the
date of each election, the Secretary-General of the United Nations
shall address a letter to the States Parties inviting them to submit
their nominations within three months. The Secretary-General shall
prepare a list in alphabetical order of all persons thus nominated,
indicating the States Parties which have nominated them, and shall
submit it to the States Parties.
5. The members of
the Committee shall be elected for a term of four years. They shall
be eligible for re-election if renominated. However, the term of five
of the members elected at the first election shall expire at the end
of two years; immediately after the first election the names of these
five members shall be chosen by lot by the chairman of the meeting
referred to in paragraph 3 of this article.
6. If a member of
the Committee dies or resigns or for any other cause can no longer
perform his Committee duties, the State Party which nominated him
shall appoint another expert from among its nationals to serve for
the remainder of his term, subject to the approval of the majority of
the States Parties. The approval shall be considered given unless
half or more of the States Parties respond negatively within six
weeks after having been informed by the Secretary-General of the
United Nations of the proposed appointment.
7. States Parties
shall be responsible for the expenses of the members of the Committee
while they are in performance of Committee duties.
Article
18
1. The Committee
shall elect its officers for a term of two years. They may be
re-elected.
2. The Committee
shall establish its own rules of procedure, but these rules shall
provide, inter alia, that:
(a) Six members shall
constitute a quorum;
(b) Decisions of the
Committee shall be made by a majority vote of the members present.
3. The
Secretary-General of the United Nations shall provide the necessary
staff and facilities for the effective performance of the functions
of the Committee under this Convention.
4. The
Secretary-General of the United Nations shall convene the initial
meeting of the Committee. After its initial meeting, the Committee
shall meet at such times as shall be provided in its rules of
procedure.
5. The States
Parties shall be responsible for expenses incurred in connection with
the holding of meetings of the States Parties and of the Committee,
including reimbursement to the United Nations for any expenses, such
as the cost of staff and facilities, incurred by the United Nations
pursuant to paragraph 3 of this article.
Article
19
1. The States
Parties shall submit to the Committee, through the Secretary-General
of the United Nations, reports on the measures they have taken to
give effect to their undertakings under this Convention, within one
year after the entry into force of the Convention for the State Party
concerned. Thereafter the States Parties shall submit supplementary
reports every four years on any new measures taken and such other
reports as the Committee may request.
2. The
Secretary-General of the United Nations shall transmit the reports to
all States Parties.
3. Each report
shall be considered by the Committee which may make such general
comments on the report as it may consider appropriate and shall
forward these to the State Party concerned. That State Party may
respond with any observations it chooses to the Committee.
4. The Committee
may, at its discretion, decide to include any comments made by it in
accordance with paragraph 3 of this article, together with the
observations thereon received from the State Party concerned, in its
annual report made in accordance with article 24. If so requested by
the State Party concerned, the Committee may also include a copy of
the report submitted under paragraph 1 of this article.
Article
20
1. If the
Committee receives reliable information which appears to it to
contain well-founded indications that torture is being systematically
practised in the territory of a State Party, the Committee shall
invite that State Party to co-operate in the examination of the
information and to this end to submit observations with regard to the
information concerned.
2. Taking into
account any observations which may have been submitted by the State
Party concerned, as well as any other relevant information available
to it, the Committee may, if it decides that this is warranted,
designate one or more of its members to make a confidential inquiry
and to report to the Committee urgently.
3. If an inquiry
is made in accordance with paragraph 2 of this article, the Committee
shall seek the co-operation of the State Party concerned. In
agreement with that State Party, such an inquiry may include a visit
to its territory.
4. After examining
the findings of its member or members submitted in accordance with
paragraph 2 of this article, the Committee shall transmit these
findings to the State Party concerned together with any comments or
suggestions which seem appropriate in view of the situation.
5. All the
proceedings of the Committee referred to in paragraphs 1 to 4 of this
article shall be confidential, and at all stages of the proceedings
the co-operation of the State Party shall be sought. After such
proceedings have been completed with regard to an inquiry made in
accordance with paragraph 2, the Committee may, after consultations
with the State Party concerned, decide to include a summary account
of the results of the proceedings in its annual report made in
accordance with article 24.
Article
21
1. A State Party
to this Convention may at any time declare under this article that it
recognizes the competence of the Committee to receive and consider
communications to the effect that a State Party claims that another
State Party is not fulfilling its obligations under this Convention.
Such communications may
be received and considered according to the procedures laid down in
this article only if submitted by a State Party which has made a
declaration recognizing in regard to itself the competence of the
Committee. No communication shall be dealt with by the Committee
under this article if it concerns a State Party which has not made
such a declaration. Communications received under this article shall
be dealt with in accordance with the following procedure:
(a) If a State Party
considers that another State Party is not giving effect to the
provisions of this Convention, it may, by written communication,
bring the matter to the attention of that State Party. Within three
months after the receipt of the communication the receiving State
shall afford the State which sent the communication an explanation or
any other statement in writing clarifying the matter, which should
include, to the extent possible and pertinent, reference to domestic
procedures and remedies taken, pending or available in the matter;
(b) If the matter is not
adjusted to the satisfaction of both States Parties concerned within
six months after the receipt by the receiving State of the initial
communication, either State shall have the right to refer the matter
to the Committee, by notice given to the Committee and to the other
State;
(c) The Committee shall
deal with a matter referred to it under this article only after it
has ascertained that all domestic remedies have been invoked and
exhausted in the matter, in conformity with the generally recognized
principles of international law. This shall not be the rule where the
application of the remedies is unreasonably prolonged or is unlikely
to bring effective relief to the person who is the victim of the
violation of this Convention;
(d) The Committee shall
hold closed meetings when examining communications under this
article;
(e) Subject to the
provisions of subparagraph (c), the Committee shall make available
its good offices to the States Parties concerned with a view to a
friendly solution of the matter on the basis of respect for the
obligations provided for in this Convention. For this purpose, the
Committee may, when appropriate, set up an ad hoc conciliation
commission;
(f) In any matter
referred to it under this article, the Committee may call upon the
States Parties concerned, referred to in subparagraph (b), to supply
any relevant information;
(g) The States Parties
concerned, referred to in subparagraph (b), shall have the right to
be represented when the matter is being considered by the Committee
and to make submissions orally and/or in writing;
(h) The Committee shall,
within twelve months after the date of receipt of notice under
subparagraph (b), submit a report;
(i) If a solution within
the terms of subparagraph (e) is reached, the Committee shall confine
its report to a brief statement of the facts and of the solution
reached;
(ii) If a solution within
the terms of subparagraph (e) is not reached, the Committee shall
confine its report to a brief statement of the facts; the written
submissions and record of the oral submissions made by the States
Parties concerned shall be attached to the report.
In every matter, the
report shall be communicated to the States Parties concerned.
2. The provisions
of this article shall come into force when five States Parties to
this Convention have made declarations under paragraph 1 of this
article. Such declarations shall be deposited by the States Parties
with the Secretary-General of the United Nations, who shall transmit
copies thereof to the other States Parties. A declaration may be
withdrawn at any time by notification to the Secretary-General. Such
a withdrawal shall not prejudice the consideration of any matter
which is the subject of a communication already transmitted under
this article; no further communication by any State Party shall be
received under this article after the notification of withdrawal of
the declaration has been received by the Secretary-General, unless
the State Party concerned has made a new declaration.
Article
22
1. A State Party
to this Convention may at any time declare under this article that it
recognizes the competence of the Committee to receive and consider
communications from or on behalf of individuals subject to its
jurisdiction who claim to be victims of a violation by a State Party
of the provisions of the Convention. No communication shall be
received by the Committee if it concerns a State Party which has not
made such a declaration.
2. The Committee
shall consider inadmissible any communication under this article
which is anonymous or which it considers to be an abuse of the right
of submission of such communications or to be incompatible with the
provisions of this Convention.
3. Subject to the
provisions of paragraph 2, the Committee shall bring any
communications submitted to it under this article to the attention of
the State Party to this Convention which has made a declaration under
paragraph 1 and is alleged to be violating any provisions of the
Convention. Within six months, the receiving State shall submit to
the Committee written explanations or statements clarifying the
matter and the remedy, if any, that may have been taken by that
State.
4. The Committee
shall consider communications received under this article in the
light of all information made available to it by or on behalf of the
individual and by the State Party concerned.
5. The Committee
shall not consider any communications from an individual under this
article unless it has ascertained that:
(a) The same matter has
not been, and is not being, examined under another procedure of
international investigation or settlement;
(b) The individual has
exhausted all available domestic remedies; this shall not be the rule
where the application of the remedies is unreasonably prolonged or is
unlikely to bring effective relief to the person who is the victim of
the violation of this Convention.
6. The Committee
shall hold closed meetings when examining communications under this
article.
7. The Committee
shall forward its views to the State Party concerned and to the
individual.
8. The provisions
of this article shall come into force when five States Parties to
this Convention have made declarations under paragraph 1 of this
article. Such declarations shall be deposited by the States Parties
with the Secretary-General of the United Nations, who shall transmit
copies thereof to the other States Parties. A declaration may be
withdrawn at any time by notification to the Secretary-General. Such
a withdrawal shall not prejudice the consideration of any matter
which is the subject of a communication already transmitted under
this article; no further communication by or on behalf of an
individual shall be received under this article after the
notification of withdrawal of the declaration has been received by
the Secretary-General, unless the State Party has made a new
declaration.
Article
23
The
members of the Committee and of the ad hoc conciliation commissions
which may be appointed under article 21, paragraph 1 (e), shall be
entitled to the facilities, privileges and immunities of experts on
mission for the United Nations as laid down in the relevant sections
of the Convention on the Privileges and Immunities of the United
Nations.
Article
24
The
Committee shall submit an annual report on its activities under this
Convention to the States Parties and to the General Assembly of the
United Nations.
PART
III
Article
25
1. This Convention
is open for signature by all States.
2. This Convention
is subject to ratification. Instruments of ratification shall be
deposited with the Secretary-General of the United Nations.
Article
26
This
Convention is open to accession by all States. Accession shall be
effected by the deposit of an instrument of accession with the
Secretary-General of the United Nations.
Article
27
1. This Convention
shall enter into force on the thirtieth day after the date of the
deposit with the Secretary-General of the United Nations of the
twentieth instrument of ratification or accession.
2. For each State
ratifying this Convention or acceding to it after the deposit of the
twentieth instrument of ratification or accession, the Convention
shall enter into force on the thirtieth day after the date of the
deposit of its own instrument of ratification or accession.
Article
28
1. Each State may,
at the time of signature or ratification of this Convention or
accession thereto, declare that it does not recognize the competence
of the Committee provided for in article 20.
2. Any State Party
having made a reservation in accordance with paragraph 1 of this
article may, at any time, withdraw this reservation by notification
to the Secretary-General of the United Nations.
Article
29
1. Any State Party
to this Convention may propose an amendment and file it with the
Secretary-General of the United Nations. The Secretary-General shall
thereupon communicate the proposed amendment to the States Parties
with a request that they notify him whether they favour a conference
of States Parties for the purpose of considering and voting upon the
proposal. In the event that within four months from the date of such
communication at least one third of the States Parties favours such a
conference, the Secretary-General shall convene the conference under
the auspices of the United Nations. Any amendment adopted by a
majority of the States Parties present and voting at the conference
shall be submitted by the Secretary-General to all the States Parties
for acceptance.
2. An amendment
adopted in accordance with paragraph 1 of this article shall enter
into force when two thirds of the States Parties to this Convention
have notified the Secretary-General of the United Nations that they
have accepted it in accordance with their respective constitutional
processes.
3. When amendments
enter into force, they shall be binding on those States Parties which
have accepted them, other States Parties still being bound by the
provisions of this Convention and any earlier amendments which they
have accepted.
Article
30
1. Any dispute
between two or more States Parties concerning the interpretation or
application of this Convention which cannot be settled through
negotiation shall, at the request of one of them, be submitted to
arbitration. If within six months from the date of the request for
arbitration the Parties are unable to agree on the organization of
the arbitration, any one of those Parties may refer the dispute to
the International Court of Justice by request in conformity with the
Statute of the Court.
2. Each State may,
at the time of signature or ratification of this Convention or
accession thereto, declare that it does not consider itself bound by
paragraph 1 of this article. The other States Parties shall not be
bound by paragraph 1 of this article with respect to any State Party
having made such a reservation.
3. Any State Party
having made a reservation in accordance with paragraph 2 of this
article may at any time withdraw this reservation by notification to
the Secretary-General of the United Nations.
Article
31
1. A State Party
may denounce this Convention by written notification to the
Secretary-General of the United Nations. Denunciation becomes
effective one year after the date of receipt of the notification by
the Secretary-General.
2. Such a
denunciation shall not have the effect of releasing the State Party
from its obligations under this Convention in regard to any act or
omission which occurs prior to the date at which the denunciation
becomes effective, nor shall denunciation prejudice in any way the
continued consideration of any matter which is already under
consideration by the Committee prior to the date at which the
denunciation becomes effective.
3. Following the
date at which the denunciation of a State Party becomes effective,
the Committee shall not commence consideration of any new matter
regarding that State.
Article
32
The
Secretary-General of the United Nations shall inform all States
Members of the United Nations and all States which have signed this
Convention or acceded to it of the following:
(a) Signatures,
ratifications and accessions under articles 25 and 26;
(b) The date of entry
into force of this Convention under article 27 and the date of the
entry into force of any amendments under article 29;
(c) Denunciations under
article 31.
Article
33
1. This
Convention, of which the Arabic, Chinese, English, French, Russian
and Spanish texts are equally authentic, shall be deposited with the
Secretary-General of the United Nations.
2. The
Secretary-General of the United Nations shall transmit certified
copies of this Convention to all States.
|



 |